Concurreren en parkeren; zijn verschillende definities mogelijk?

Geplaatst op

Een korte analyse van verschillende wetten die het begrip concurrentie (ogenschijnlijk) verschillend definiëren.

Een bekende slogan luidt: “Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker”. Helaas lukt dat laatste niet altijd. Dat zien we bijvoorbeeld bij de uitleg van het begrip concurrentie. Aanleiding voor dit artikel zijn twee recente publicaties waarbij het bieden van parkeergelegenheid aan de openbare weg door gemeenten centraal stond. De hamvraag hierbij was: treedt de gemeente in concurrentie met marktpartijen? Een positief antwoord op deze vraag kan gevolgen hebben voor de te hanteren parkeertarieven, voor de btw op het parkeerticket en voor de heffing van vennootschapsbelasting (hierna: Vpb).

Wanneer treedt de gemeente in concurrentie? Die vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Wij nemen u (in vogelvlucht) mee langs definities voor de btw en van de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en werpen een vraag op over de Vpb.

Straatparkeren en concurreren: de btw

Er loopt momenteel een procedure bij de Hoge Raad over de heffing van btw bij straatparkeren. Gemeenten zijn in beginsel geen btw-ondernemer voor hun overheidstaken. Dus ook niet voor het bieden van openbare parkeergelegenheid. Daar geldt wel een ‘tenzij’: namelijk tenzij deze taken kunnen leiden tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen.
Volgens de Advocaat-Generaal, die de Hoge Raad adviseert in deze procedure, is dit bij straatparkeren het geval. Straatparkeren concurreert volgens de Advocaat-Generaal met parkeren 'achter een slagboom'. Achter een slagboom parkeren is belast met btw. Een van de argumenten van de Advocaat-Generaal is dat de ‘modale’ consument geen onderscheid maakt tussen parkeren aan de openbare weg en parkeren achter een slagboom. Dit past bij het uitgangspunt van de btw, namelijk dat een activiteit vanuit de ogen van een modale consument moet worden beschouwd.

Straatparkeren en concurreren: de ACM

De ACM heeft recent een besluit uitgevaardigd over de tariefstelling door een gemeente bij parkeergarages. Gemeenten moeten met hun ‘economische activiteiten’ namelijk rekening houden met bepaalde gedragsregels, en één van deze gedragsregels is dat kostendekkende tarieven worden gehanteerd.
De ACM lijkt het begrip concurrentie te benaderen vanuit het oogpunt van mogelijke aanbieders. Volgens de ACM vindt straatparkeren plaats in de openbare ruimte. Omdat andere partijen straatparkeren niet kunnen aanbieden, vindt deze activiteit niet plaats op de markt. Van concurrentie kan dus volgens de ACM geen sprake zijn.

Straatparkeren en concurreren: de Vpb

Gemeenten die met hun parkeeractiviteiten winst maken, zijn daarover Vpb verschuldigd. Ook hier geldt een ‘tenzij’: namelijk tenzij parkeren een overheidstaak is waarmee niet in concurrentie wordt getreden. Wanneer is de tenzij van toepassing?
De Staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat straatparkeren een vrijgestelde activiteit is naar analogie van de btw-regels. Betekent dit dat als de uitleg van de btw-regels verandert, ook deze Vpb-vrijstelling anders moet worden geïnterpreteerd? Met andere woorden, is de definitie van concurrentie voor deze vrijstelling van Vpb per se gelijk aan die van de btw? Primair denken wij van niet, al is het maar omdat het gaat om verschillende wetten met hun eigen doelstelling en achtergrond.

Daarmee blijft de vraag onbeantwoord in hoeverre voor de invulling van het begrip concurrentie in de Vpb aansluiting kan worden gezocht bij de uitlatingen van de Advocaat-Generaal (btw) of de ACM. Dit kan leiden tot een interessante discussie.

Conclusie: is er één Rome waarnaar we kunnen wandelen?

Het begrip ‘concurrentie’ heeft niet in elke wet dezelfde betekenis. Vandaar ons voorstel voor de slogan: “Leuker kunnen we het niet maken, makkelijker ook niet”.

back to top