Fiscale eenheid brokkelt af: HvJ EU neemt ingrijpende beslissing

Geplaatst op

Het Nederlandse fiscale-eenheidsregime leidt tot een inbreuk op de vrijheid van vestiging, zo besliste het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) op 22 februari 2018. Het Ministerie van Financiën heeft reparatiewetgeving aangekondigd met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017. 

In het arrest (de zaak C-398/16) ging het om een Nederlandse vennootschap (X BV) die kapitaal had gestort in een Italiaanse 100% dochtervennootschap. X BV had de kapitaalstorting gefinancierd met een lening die zij had opgenomen bij haar Zweedse moedermaatschappij. De rente die X BV aan haar moedermaatschappij betaalde, leidde in Zweden niet tot belastingheffing, omdat de moedermaatschappij over compensabele verliezen beschikte. In zo’n geval verhindert art. 10a Wet VPB 1969 de renteaftrek in Nederland bij X BV.

X BV vocht de weigering van renteaftrek aan met de volgende redenering. Als de Italiaanse dochtermaatschappij in Nederland gevestigd was geweest, zou die dochtermaatschappij in een fiscale eenheid met X BV kunnen worden opgenomen. In dat geval zou de kapitaalstorting fiscaal niet zichtbaar zijn geweest. En dat zou tot gevolg hebben gehad dat art. 10a Wet VPB 1969 niet van toepassing was geweest, zodat de rente niet van aftrek was uitgesloten. Het HvJ ging in deze redenering mee. Doordat het volgens de Nederlandse wet niet mogelijk is om een in Italië gevestigde 100% dochtervennootschap op te nemen in een fiscale eenheid ontstaat volgens het HvJ een ontoelaatbare belemmering van de vrijheid van vestiging.

Nederland zal de door het HvJ geconstateerde ongelijke behandeling van Europese dochtermaatschappijen en Nederlandse dochtermaatschappijen moeten opheffen. Dat kan op twee manieren. Nederland zou kunnen besluiten de renteaftrekbeperking van art. 10a niet langer toe te passen op Europese dochtermaatschappijen. Nederland mag ook besluiten de renteaftrekbeperking van art. 10a voortaan toe te passen op gevoegde Nederlandse dochtermaatschappijen. De regering heeft voor dat laatste gekozen, omdat de eerstgenoemde keuze te veel geld kost.

De aangekondigde reparatiewetgeving, waarvan de precieze inhoud nog niet bekend is, houdt in dat de fiscale eenheid geacht wordt niet te bestaan voor de toepassing van art. 10a en nog enkele andere bepalingen in de Wet VPB 1969, zoals art. 13l (aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente) en art. 20a (beperking verliesverrekening bij aandeelhouderswisseling). De fiscale eenheid brokkelt dus af. Bovendien wordt het fiscale-eenheidsregime veel ingewikkelder. Daarom heeft de staatssecretaris (ook) aangekondigd dat het reparatiewetsvoorstel binnen afzienbare termijn moet worden gevolgd door een nieuwe, eenvoudigere concernregeling die EU-proof is.

De staatssecretaris zal het (op 25 oktober 2017 aangekondigde) reparatiewetsvoorstel in het tweede kwartaal van 2018 bij de Tweede Kamer indienen. Na indiening zullen wij een nieuwsbericht aan dat wetsvoorstel wijden.

back to top