Goed btw-nieuws voor MBO- en HBO-instellingen

Geplaatst op

Al jarenlang voeren de Belastingdienst en de instellingen voor middelbare beroepsonderwijs (MBO) en hoger beroepsonderwijs (HBO) overleg over de aftrek van btw op algemene kosten. Voor HBO’s bracht het Gerechtshof op 28 juni jongstleden op het eerste gezicht goed nieuws. Het Gerechtshof oordeelt dat het reguliere hoger beroepsonderwijs een economische activiteit is. In beginsel kan de hogeschool de btw op algemene kosten terugvragen volgens het pro rata percentage dat is gebaseerd op de omzetverhouding.

Aanleiding tot de zaak

In 2010 heeft een rechter geoordeeld dat het geven van onderwijs door een MBO-instelling een niet-economische activiteit voor de btw is. Een gevolg hiervan is dat de onderwijsinstelling zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten kent. Een bijkomend gevolg is dat de btw op algemene kosten slechts mocht worden verrekend voor zover deze betrekking had op de economische activiteiten.
Deze uitspraak was voor de Belastingdienst aanleiding om bij MBO- en HBO-instellingen het recht op aftrek van btw te berekenen door eerst de zogeheten pre pro rata (de economische omzet ten opzichte van de totale inkomsten) toe te passen en daarna de pro rata. Dit leidde doorgaans tot een laag percentage te verrekenen btw.

Uitspraak van het Gerechtshof

Reden voor een HBO-instelling om hiertegen in beroep te komen. De Rechtbank gaf de instelling in oktober 2014 al gelijk. Ondanks een aantal ontwikkelingen in de jurisprudentie sinds die tijd, kreeg de hogeschool ook bij het Gerechtshof gelijk. Kort gezegd is het Gerechtshof van oordeel dat het hoger onderwijs aan de studenten op een (economische) markt wordt aangeboden en dat alle studenten hiervoor een vast collegegeld betalen. Het collegegeld is meer dan een symbolische vergoeding, aangezien het in totaal circa 22% van de kosten van het onderwijs dekt.

Het Gerechtshof ziet dus uitsluitend economische activiteiten. Voor de berekening van de aftrek van btw op algemene kosten wordt in beginsel uitgegaan van een pro rata op basis van omzetgegevens. De rijksbijdragen blijven buiten deze berekening. De inspecteur vond dat het aftrekrecht op basis van het werkelijke gebruik moest worden vastgesteld. Hiervoor wilde hij aansluiten bij een verhouding die is berekend aan de hand van de financiering van de onderwijsinstelling. In feite wilde de inspecteur hiermee de rijksbijdragen ook in de noemer van de pro rata opnemen. Het Gerechtshof staat dit echter niet toe. Als de inspecteur wil afwijken van de omzetverhouding kan dat alleen als hij het werkelijke gebruik aannemelijk maakt. Dat heeft hij in deze zaak niet gedaan.

Gevolgen voor de praktijk

In de eerste plaats is van belang dat dit een uitspraak van het Gerechtshof is. Het ligt ons inziens zeer voor de hand dat de Belastingdienst in cassatie gaat bij de Hoge Raad. Of dit tot een andere uitkomst leidt is overigens maar de vraag, aangezien de Hoge Raad geen oordeel meer mag geven over de feiten.

In de tweede plaats is het de vraag of deze uitspraak ook een gunstig gevolg kan hebben voor MBO-instellingen. Bij MBO’s dekken de lesgelden een lager deel van de kosten, omdat leerlingen pas vanaf hun 18e lesgeld betalen. Naar ons oordeel is echter nog steeds sprake van een meer dan symbolische vergoeding, zodat de uitspraak in beginsel ook op MBO’s van toepassing is.

Ten slotte is het de vraag of deze procedure anders zou aflopen als de inspecteur het werkelijke gebruik wel aannemelijk kan maken. Dat lijkt ons wel het geval. De vraag is echter hoe hij dat kan doen.

Ons advies

Ons advies aan MBO- en HBO-instellingen is om het gesprek over de aftrek van btw op algemene kosten opnieuw met de Belastingdienst aan te gaan.

In het verleden accepteerde de Belastingdienst enkel teruggaafverzoeken waarbij rekening was gehouden met de pre pro rata. Onderwijsinstellingen hebben daardoor minder btw terug gekregen dan waar ze volgens het Gerechtshof in deze zaak recht op hebben. Wij adviseren onderwijsinstellingen het gesprek met de Belastingdienst aan te gaan om de teruggaaf vanwege een hogere pro rata te verhogen. Uiteraard kunnen wij u daarbij begeleiden. Wij bekijken tevens graag met u de mogelijkheden om ambtshalve btw terug te krijgen.

Voor lopende of toekomstige discussies biedt deze uitspraak voldoende aanknopingspunten om het aftrekrecht op algemene kosten te berekenen op basis van een pro rata van omzetverhoudingen.

Wilt u weten hoe? Of wilt u weten wat deze uitspraak verder betekent? Neem dan contact op met Jayant Rakhan of Myrthe Hinskens, btw-specialisten van Baker Tilly Berk.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 juni 2016, nr. 14/01216

back to top