Prinsjesdag 2017: wetsvoorstel inhoudingsplicht houdstercoöperaties

Geplaatst op

Op Prinsjesdag 2017 is ook het wetsvoorstel Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling aan de Tweede Kamer aangeboden. Wij lichten dit wetsvoorstel graag toe (voor een overzicht van álle maatregelen kunt u hier kijken). Let wel: dit wetsvoorstel is pas van toepassing als het is goedgekeurd door de Eerste en Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling bevat de volgende maatregelen voor de dividendbelasting:

  1. Uitbreiding van de groep belastingplichtigen met gerechtigden tot de opbrengst uit hoofde van kwalificerende lidmaatschapsrechten in Nederland gevestigde houdstercoöperaties.
  2. Uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling richting derde landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een dividendbepaling.
  3. Wijziging en aanscherping van de huidige nationale antimisbruikbepalingen in de dividend- en vennootschapsbelasting.

Ad 1. Inhoudingsplicht houdstercoöperaties

Voorgesteld wordt de groep belastingplichtigen voor de dividendbelasting uit te breiden met gerechtigden tot de opbrengst uit hoofde van kwalificerende lidmaatschapsrechten in Nederland gevestigde houdstercoöperaties. Een houdstercoöperatie wordt gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid hoofdzakelijk (70%) bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. Hiervoor wordt gekeken of de feitelijke werkzaamheid in het aan de dividenduitkering voorafgaande jaar doorgaans aan de grens van 70% voldoet. De term 'doorgaans' houdt in dat in het jaar voorafgaand aan de dividenduitkering gedurende een korte periode, of gedurende een beperkt aantal korte perioden, kan worden afgeweken van de grens van 70%. De houdstercoöperatie wordt alleen inhoudingsplichtig voor zover sprake is van kwalificerende lidmaatschapsrechten. Daarvan is pas sprake als het lidmaatschapsrecht betrekking heeft op ten minste 5% van de jaarwinst van een coöperatie dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie van die coöperatie wordt uitgekeerd. Bij de beoordeling of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht, worden de lidmaatschapsrechten van een lid en de met dat lid verbonden natuurlijke personen en verbonden lichamen gezamenlijk in aanmerking genomen.

Ad 2. Uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling

In verband met de uitbreiding van de inhoudingsplicht richting derde landen, wordt een inhoudingsvrijstelling ingevoerd. De uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling geldt in deze gevallen alleen als er sprake is van een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en richting een openbaar lichaam binnen het Koninkrijk waarvoor Nederland (het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk) een regeling ter voorkoming van dubbele belasting heeft getroffen en in dat verdrag of die regeling een dividendbepaling is opgenomen. Daarnaast wordt in de wet voorzien in een adequate regeling voor de bestrijding van misbruik.

Ad 3. Wijziging en aanscherping antimisbruikbepalingen

De inhoudingsvrijstelling is niet van toepassing als sprake is van misbruik. Van misbruik is sprake als de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets). Als de situatie zonder tussenkomst van de belastingplichtige niet zou leiden tot een hogere Nederlandse dividendbelastingclaim, zal er geen sprake zijn van het ontgaan van dividendbelasting bij een ander. Deze toetsing vindt steeds plaats op het moment van uitkering. Als wel sprake is van het ontgaan van dividendbelasting bij een ander moet vervolgens worden beoordeeld of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie. Een constructie wordt als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake als deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het Nederlandse lichaam onmiddellijk houdt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het lichaam dat het belang houdt een materiële onderneming drijft, dat wil zeggen een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die met een winstoogmerk deelneemt aan het economische verkeer, en het belang in dat Nederlandse lichaam functioneel tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend.

Als de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt zelf geen materiële onderneming uitoefent, kan ook nog steeds sprake zijn van geldige zakelijke redenen als die aandeelhouder bijvoorbeeld een schakelfunctie vervult (de zogenoemde schakelende tussenhoudster) en beschikt over relevante substance. De wijze waarop beoordeeld wordt of sprake is van een schakelfunctie wijzigt niet ten opzichte van het huidige beleid. Van een schakelfunctie is sprake als de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en). De term 'relevant' is nieuw. Voor de aanwezigheid van relevante substance moet in elk geval ook worden voldaan aan een tweetal aanvullende nieuwe criteria: (a) het loonkostencriterium van € 100.000 en (2) het vereiste van een eigen kantoorruimte. Als wordt voldaan aan de criteria, wil dit zeggen dat zowel de constructie (het houden van aandelen/lidmaatschapsrechten) als de transactie (bijvoorbeeld de winstuitdeling of vervreemding) niet kunstmatig is en er dus sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.

Overgangsrecht van drie maanden voor nieuwe substancevoorwaarden

Het wetsvoorstel voorziet niet in overgangsrecht omdat belastingplichtigen met de aankondiging, het schriftelijk overleg hierover en de internetconsultatie voldoende tijd en inzicht in de maatregelen hebben gekregen. Het wetsvoorstel heeft echter ook tot gevolg dat de relevante lopende rulings hun geldigheid verliezen op basis van de in de advance tax ruling (ATR) opgenomen bepaling dat de ATR vervalt bij een relevante wetswijziging. Nieuwe rulings kunnen pas na de beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2018 worden afgegeven. Daarom vindt het kabinet het - bij nader inzien - redelijk om belastingplichtigen drie maanden de tijd te geven om te kunnen voldoen aan de twee nieuwe substancevoorwaarden, te weten het loonkostencriterium en de eigen kantoorruimte. Om dit te bewerkstelligen, treden de wijzigingen in de ministeriële regelingen waarmee nadere regels worden gegeven om te bepalen of er sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen alleen ten aanzien van de reeds bestaande substancevoorwaarden in werking met ingang van 1 januari 2018. De wijzigingen in de ministeriële regelingen ten aanzien van de twee nieuwe substancevoorwaarden zullen pas in werking treden met ingang van 1 april 2018. Belastingplichtigen waarvan de ATR per 1 januari 2018 door de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen komt te vervallen, maar die wel voldoen aan de tot dan reeds bestaande substancevoorwaarden, kunnen er dus tot 1 april 2018 van uitgaan dat zij voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voldoen aan de daarvoor gestelde substancevoorwaarden.

back to top