Vpb-plicht: welke (objectieve) vrijstellingen zijn er?

Geplaatst op

Indien sprake is van een ondernemingsactiviteit, dan kan deze onder voorwaarden zijn vrijgesteld van heffing. Uw organisatie is ‘verplicht’ om deze activiteit wel in de aangifte vennootschapsbelasting op te nemen. Het resultaat wordt echter effectief niet belast met Vpb.

Bij de objectieve vrijstellingen wordt, hoewel inhoudelijk vergelijkbaar, een onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte overheidsondernemingen.

Met het ‘object(ief)’ wordt bedoeld dat de desbetreffende vrijstelling enkel betrekking heeft op de relevante activiteit.

Directe overheidsondernemingen maken deel uit van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Indien sprake is van een privaatrechtelijk lichaam dat wordt beheerst door een publiekrechtelijk lichaam, spreken we van een indirect overheidslichaam. De onderneming van zo’n lichaam is een indirecte overheidsonderneming.

In de aangifte vennootschapsbelasting wordt eerst de fiscale winst bepaald. Dit is het (fiscale) resultaat dat de onderneming van uw organisatie heeft gerealiseerd. Nadat de winst is vastgesteld, kunnen de resultaten van specifieke activiteiten worden vrijgesteld van heffing. Overigens stellen de objectieve vrijstellingen niet alleen winsten, maar ook verliezen vrij van heffing.

De opgenomen objectieve vrijstellingen zijn wettelijk vastgelegd. Enkel op verzoek kan hiervan worden afgeweken. Echter, hierover zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt.

We laten enkele van de objectieve vrijstellingen zien. Wij maken, vanwege de inhoudelijke gelijkenis, geen onderscheid in de vrijstellingen voor directe en indirecte overheidsondernemingen.

1. Interne activiteiten

Activiteiten die alleen intern worden verricht, vormen geen onderneming. De Vpb-plicht is daarvoor niet aan de orde. Wanneer deze activiteiten (deels) ook voor andere rechtspersonen (bijvoorbeeld een andere gemeente) worden verricht, is sprake van deelname aan het economisch verkeer. Indien ook overschotten worden gerealiseerd zal veelal ook sprake zijn van een onderneming. De ondernemingsresultaten moeten dan worden aangegeven voor de vennootschapsbelasting.Dit is de fiscale winst.

Omdat een deel van de activiteiten ten behoeve van het eigen lichaam worden verricht, worden de hiermee gemoeide resultaten van heffing vrijgesteld. Bij het bepalen van het belastbare bedrag van directe overheidsondernemingen blijven de voordelen van de ‘interne activiteiten’ buiten beschouwing.

Voor indirecte overheidsondernemingen geldt een soortgelijke vrijstelling van de Vpb-plicht. Deze vrijstelling heeft voornamelijk betrekking op ‘quasi-inbestedingsactiviteiten’.

Prinsjesdag 2016 – wijziging in de interne vrijstelling

Op Prinsjesdag is door het kabinet een wetswijziging voorgesteld die de interne vrijstelling beperkt. Interne en/of quasi-inbestedingsactiviteiten kunnen bestaan uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen. Als gevolg van de wetswijziging zijn de hiermee behaalde resultaten niet meer vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Uiteraard moeten deze activiteiten dan wel kwalificeren al een onderneming. 

Voorbeeld: indien een gemeente haar wagenpark ter beschikking stelt aan haar 100%-dochtervennootschap en hierbij een winstmarge realiseert, kan de vrijstelling mogelijk niet worden toegepast.

2. Wettelijke overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden

Een andere belangrijke vrijstelling van vennootschapsbelasting is die voor overheidstaken en publiekrechtelijke bevoegdheden van uw organisatie zelf. U kunt hierbij denken aan bijvoorbeeld de afgifte van identiteitsbewijzen, het verlenen van vergunningen en ontheffingen of de inning van marktgelden. De winst uit dergelijke activiteiten is in beginsel vrijgesteld van de Vpb-plicht, tenzij met deze activiteiten feitelijk in concurrentie wordt getreden met private belastingplichtigen. Mogelijk dat in de praktijk discussies ontstaan over hoe ‘feitelijke concurrentie’ moet worden uitgelegd.

In de parlementaire geschiedenis is omschreven dat ten minste activiteiten waarvoor de ‘btw-vrijstelling’ voor overheidstaken van toepassing is, ook kunnen kwalificeren voor de Vpb-vrijstelling voor overheidstaken. In dit kader is ook parkeren aan de openbare weg als een vrijgestelde activiteit benoemd.Desondanks kan, met de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 3 november 2016 over de btw-vrijstelling voor parkeren langs de openbare weg, ook de Vpb vrijstelling ‘op de tocht’ komen te staan.

3. Samenwerkingsverbanden

Mede vanwege ‘Haagse’ druk werken overheidsorganisaties (steeds) regelmatig(er) met elkaar samen. Deze samenwerking vindt in verschillende vormen plaats en is veelal gericht op het behalen van efficiencyvoordelen of het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger. Zolang de activiteiten worden verricht voor de deelnemers in het samenwerkingsverband en bij de achterliggende (publiekrechtelijke) lichamen/organisaties niet zouden leiden tot heffing van vennootschapsbelasting, zijn ook de resultaten van deze activiteiten in beginsel vrijgesteld van heffing. Vervolgens moeten de deelnemers naar rato van de afgenomen diensten bijdragen in de kosten van het samenwerkingsverband.

Dus indien een samenwerkingsverband (van publiekrechtelijke lichamen) activiteiten verricht die bij de deelnemers niet zouden leiden tot een onderneming of de resultaten daarvan zouden zijn vrijgesteld, dan is ook het samenwerkingsverband in beginsel vrijgesteld van heffing.

Hiermee moet een vorm van fiscale rechtsvormneutraliteit worden bewerkstelligd.

4. Dienstverleningsovereenkomsten

Naast echte samenwerkingsverbanden kunnen overheidsorganisaties ook samenwerken op basis van zogenoemde dienstverleningsovereenkomsten (DVO's). De activiteiten die worden verricht in het kader van zo’n DVO kunnen kwalificeren als een onderneming. Indien de activiteiten kwalificeren als een overheidstaak waarmee feitelijk niet in concurrentie wordt getreden, dan zijn de hiermee gerealiseerde resultaten vrijgesteld van heffing van Vpb.

 

back to top