Wijzigingen Wet op de dividendbelasting

Geplaatst op

Op Prinsjesdag zijn wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting voorgesteld. De inhoudingsvrijstelling zal worden uitgebreid naar landen waar Nederland een verdrag mee heeft afgesloten. Bij een dividenduitkering aan een ‘schakelende’ buitenlandse tussenhoudster worden vanaf 1 april 2018 aanvullende ‘substance’-vereisten van toepassing.

Als een Nederlandse vennootschap aan haar aandeelhouder(s) dividend uitkeert, moet zij in beginsel 15% dividendbelasting inhouden en afdragen. In sommige gevallen geldt een zogenoemde inhoudingsvrijstelling. Dat laatste betekent dat het dividend vrij van dividendbelasting kan worden uitgekeerd. Wanneer de aandeelhouder een vennootschap is die is gevestigd in de EU/EER geldt een inhoudingsvrijstelling, als het belang van de buitenlandse aandeelhouder in de Nederlandse vennootschap minimaal 5% bedraagt (deelneming). Volgens het wetsvoorstel gaat vanaf 1 januari 2018 de inhoudingsvrijstelling ook gelden als de buitenlandse aandeelhouder is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten waarin een dividendartikel is opgenomen.

Er komt wel een uitzondering. De inhoudingsvrijstelling geldt namelijk niet als een structuur (of transactie) is opgezet met als voornaamste doel dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en de structuur niet is opgezet ‘op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen’ (objectieve toets).

Bij de subjectieve toets wordt nagegaan of de inhoudingsvrijstelling ook zou gelden als de dividendgerechtigde wordt weggedacht (en het dividend zou toekomen aan de aandeelhouder van de dividendgerechtigde). Als de inhoudingsvrijstelling dan niet zou gelden, mag de inhoudingsvrijstelling niet worden toegepast, tenzij de structuur ‘zakelijk’ is. Zakelijkheid staat vast als de dividendgerechtigde (de buitenlandse vennootschap) een materiële onderneming drijft en de aandelen in de Nederlandse vennootschap aan het ondernemingsvermogen kunnen worden toegerend. Zakelijkheid staat ook vast als de dividendgerechtigde een tophoudster is die een bestuurlijke functie vervult in de Nederlandse vennootschap. In de derde plaats is er (onder voorwaarden) sprake van een ‘zakelijke’ structuur indien de dividendgerechtigde een ‘schakelende’ tussenhoudster is. Die voorwaarden behelzen ‘substance’-vereisten. Volgens het wetsvoorstel gelden vanaf 1 april 2018 twee aanvullende ‘substance’-vereisten. De loonsom van de ‘schakelende’ tussenhoudster moet minimaal € 100.000 bedragen. Daarnaast dient de tussenhoudster minimaal 24 maanden de beschikking te hebben gehad over kantoorruimte die daadwerkelijk door haar is gebruikt.

De inhoudingsplichtige moet binnen een maand na dividenduitkering een verklaring afgeven aan de inspecteur waarin staat dat de inhoudingsvrijstelling terecht is toegepast.

back to top